Verclaeringhe van diversche soo latijnsche als fransoijsche woorden ende termen die de practisiens daghelijcks ghebrucken
Beminden leser / Door dien een ijeghel. niet soo wel ervaeren en is inde latijnsche, fransoijsche ofte andere vremde spraken, ende alsoo niet soo lichtel. en soude konnen verstaen vele verscheyden vremde woorden, oft termen die uut de selve talen ghesproten sijn/ en de welcke de notarisen, tabellioen ende andere practisiens (naer styl ende usantie) ghebruijcken in hunne instrumenten, ende gheschriften, ghelijck wij oock tot verscheijden plaetsen alsulcke vremde woorden ende termen alhier hebben moeten ende in andere diversche saecken besighen om den stijl van de voorn. Practisiens naer te volghen: Soo hebben wij goet ghevonden alhier te stellen een deel van alsulcke duijster termen, emmers eenighe die ons dochte te wesen van de swaerste om te verstaen ende dat alleenel. Van de ghene die in de practijcke worden ghebriuijckt / daer neffens wij summierlijcken ghestelt hebben het bedietsel van de selve / alles ordentlijck op den ABC met welcken vocabulaer ende verklaringhe den ghemeijnen man lichtelijcken sal kunnen weten wat alsulcken termen bedieden. Wel verstaende nochtans dat hij innesie ende aenmercke de materie ende den sin vanden instrumente / op dat hij dickwils d’een voor d’ander niet en verstae: want somtijts alsulcke termen werden verstaen in diversche manieren. Vaert wel.
A
Abalieneren: vervremden
Abbrevieren: verkorten
Abolieren: te niete doen
Abortif: een dracht die doodt ter werelt compt
Absenteren: verborghen houden
Absolveren: ontslaen, voleynden
Absolut: ontslaghen, voleijndt
Abuseren: misbruijcken
Abuijs: misbruijck
Acceptilatie: een maniere van verbintenisse
Accepteren: tot sijnen voordeele aenveerden
Accessoir: een saecke die uut een ander spruijtet
Acces: toeganck
Accesseurs: gheleerde mannen die de vonnisse vanden ongheleerden rechter ramen
Accommoderen: profijtelijck ofte behulpich wesen
Accomodatie: behulpsaemheijt
Accorderen: vereenighen, overcomen
Accordatie: overeencomijnghe
Accuseren: beschuldighen, aentijden
Acte: eenigh ghedaen werck vonnisse etc.
Actie: trecht d’welck men erghens toe heeft
Accumuleren: bij een vergaderen
Accumulatie: vergaderinghe
adheriteren: goeden erfven
Adioncten: bij ghevoechde persoonen
Adiudiceren: toewijsen, aenwijsen
Adiudicatie: toewijsijnghe, aenwijsijnghe
administreren: bedienen doen
Admitteren: toelaeten
Adopteren: ijemanden voor sijn eijghen kint aennemen
Advanceren: voorderen
Advers: teghenpartije
Adverteren: waerschouwen
Advertissement: waerschouwijnghe
Advoceren: toeroepen, iemant wort doen
Advocaet: voorspraecke
Advoijeren: vestighen, van weerden houden
Advijs: beradinghe, goetduncken
Affirmeren: sekeren toesegghen
Ageren: oeffenen in rechte handelen
Aggreatie: behaginghe aenghenaemheijt
Aggreeren: behaghen, te dancke hebbe
Allegeren: verlichten, ontlasten voorts bringhen ofte in rechte bij bringhen
Alterceren: hijnen bedinghen
Altercatie: hijnijnghe bedinghinghe
Allieneren: vervreemden
Amphibologie: eenighe doncker redene oft twijffelachtigen sin
Amplieren: vermeeren
Ample: wijt breet
Annex: bij ghevoecht
Antecesseur: voorganger, voorsaet
Animeren: moet gheven
Anticiperen: te vooren komen verrasschen
Apparentie: beghinsel
Appelleren: vel provoceren: wederroepen ernemen weder versoecken
Appensement: dach van berade
Appliceren: ten proposte brenghen om de saecke te verclaeren
Appointeren: overcomen
Appointement: overkomijnghe, ofte uuttijnghe
Apprehenderen: vasthauden, vanghen, aentasten
Approberen: van woirden houden
Apt: nut bequaem
Arbiters: sechlieden, fijnmannen
Arbitrale uutspraecke: het goet duijncken van de fijnmannen ofte seghslieden
Arrable: buijten proposte niet dienende
Arras: willekom = ghelt, godspenninck
Arrementen: tfondament daer tproces op begost is
Arrest: tvonnisse bijden oversten rechter ghewesen daeraf men niet en mach appelleren
Arresteren: vast houden in bedwanck houden
Articuleren: ijet segghen naer de rechte gheleghentheijt vander saken, ofte van lidt tot lidt
Assigneren: bewijsen
Assignatie: bewijsinghe
Assisse: dinghdaghen, sitdaghen
Astringeren: bedwijnghen
Assumeren: toenemen, bijnemen
Atroce: vreedelijcken, swaerlijcken
Attediole: verdrietelijcken
Attentaet: nieuwe feijten ghedeurende dappellatie inneghebrocht
Attesteren: tuijghen, thooghen
Attribueren: toeschicken, toegheven
Autentiseren: vermeerderen, krachtich maecken
Autentijck: machtich
Auteur: vermeerdere, maeckere
Autoriseren: machtich maecken
Autoriteijt: machticheijt
Auditie: toebehoorijnghe
Auditeur: toebehoordere
B
Bailliu: vooght, oft regierder van heerelijcke goeden
Baptiseren: naem gheven, doopen
Baroen: genoodt, baenre heere
Beneficie: weldaet voordeel
Bigame: die twee huijsvrauwen ghehadt heeft off een weduwe ghetraut heeft
Blasphemeren: lachteren schande naerspreken
Brevet: een rolleken off briefken
Breviteijt: hertheijt
Bulle: eenen brief
C
Callumnieren: valscheijt bedrijven oft naersegghen
Captieux: bedriechlijcken, begrijpelijcken
Cas subiect: materie daer questie om is
Casseren: te niet doen
Caveren: wachten, verhoeden
Cavilleren: schimpen, spotten
Cavillatie: spot
Causeren: veroorsaecken
Cautie: borchtocht
Cautionaris: die borghe blijft
Cederen: sijn recht eenen anderen overgheven
Cessie: overghevinghe van goeden
Cedulle: handt gheschrift huercedulle
Certificeren: verclaeren voor de waerheijt
Civile sake: daer lijf noch bloet aen en hanght
Civile rechteren: wereltlijcke rechteren
Circumstantie: gheleghentheijt vander saecke
Citeren: daghen in rechte betrecken
Clandestine: heijmelijcken
Clausule: eenigh begrijp van materie
Codicil: uuttersten wille sonder erfvenisse ont onterffenisse
Cognitie: kennisse, ordeelen
Collaterael: die vanden sijden bestaet
Collationeren: teghen het principael oft teghen een ander verghelijcken
Collecteren: bij een vergaderen
Collusie: heijmelijck verstant, bedroch
Commineren: dreijghen
Committeren: ijemant te wercke stellen, oock misdoen, sondighen
Committemus: brieven van bevele
Commotie: oploop onder de ghemeijnte
Communiceren: mede deelen tsaemen spreken oft ramen
Compareren: verschijnen hem vertoonen
Comparuit: als ijemant eenen anderen te rechte betreckt ende selve niet en compareert, dan verkrijght de ghedaechde vlot vanden hove, ende condemnatie vande kosten bij hem gedaen, tot lasten vanden aenleggere
Compelleren: dwinghen
Compenseren: vergelden d’een schult schade, vonnisse, oft kosten teghen d’andere verghelijcken oft setten
Competeren: aengaen, toebehooren
Competenten rechter: behoorlijcken rechter
Complicen: mede plegers
Comprehenderen: begrijpen, vatten
Composeren: metter minnen overkomen
Compromitteren: hem ghedraghen tot het segghen van sijn mannen
Compulsoren: bedwanghbrieven
Concederen: verleenen, gunnen, geven toelaten
Concerneren: aengaen aensien
Consinneren: cieren oft tsamen voeghen
Concluderen: tsamen de saecke in rechte besluijten versoecken in rechte aenspreken
Concurreren: mede loopen mede deijlen
Condemneren: doemen, wijsen
Conditioneren: bespreken
Confereren: tsamen draeghen, oft sluijten
Confessie: bekentenisse
Confirmeren: verstercken
Confisqueren: de goeden verbeurt maken
Conformeren: verghelijcken
Conniveren: door de vingheren sien, ghedooghen
Copieren: dobbel maken, overvloedigh maken
Copuleren: vergaderen
Conquesteren: verkrijghen
Consequent: vervolgh
Conserveren: bewaeren, beschudden
Considereren: aensien, aenmercken
Consigneren: ijet ijemant bewijsen oft in handen stellen als pant voor schult
Conspireren: quaet opset teghen sijnen oversten maken
Constitueren: machtich maecken, ijemant in sijne stede stellen om ijet te doen oft te vervolghen
Consulteren: raede raedslaen
Contemplatie: beliefte
Contenderen: heijsch maken
Contenteren: te vrede stellen
Contentieuse sake: twistighe sake
Contesteren: beroepen
Continueren: volherden, sijn voorstel vervolghen
Continuatie: haudinghe van eenighe dinghen in eenen wesen, achtervolginghe
Contradiceren: teghen segghen
Contraheren: teghen eenen anderen ijet aengaen
Contract: voorwaerde
Contractante nuptiael: houwelijcke voorwaerde
Contrarie: teghen ofte wederspannich
Contravenieren: teghen komen, teghen doen
Contribueren: mede gheven
Contumaceren: in rechte versmaet worden asmen niet en compt. oft wederspannich valt van te voldoen
Contumax: versmaet wederspannich
Coopereren: tsamen wercken
Copuleren: bij een vergaderen
Corresponderen: over een komen
Corroboreren: verstercken
Corrueren: vervallen, tsamen vallen
Corromperen: bederven ijemant met giften verleijden, verblinden om tot sijn vermeten te komen
Crediteur: die uutleent, ende aen een ander ten achter is
Credit: uutstaende schult
Crime: daer lijf off lidt aen hanght
Culperen vel inculperen: beschuldighen
Cumulatie: hoopinghe off vermeerderinghe
Curateur: monboir toesiender oft regeerder van weesen goederen
D
Damneren: doemen
Datum: tijdt
Debateren: beleijden
Debiliteijt: kranckheijt
Debiteur: schuldenaer
Debitrice: schuldenersse
Debit: schult
Decideren: beslichten, ten eijnde bringhen
Decipieren: bedrieghen
Declareren: verclaeren
Declineren: afgaen vanden rechter scheijden daermen voor betrocken is
Decreet: een ghebot, bekentenisse, voornemen
Deduceren: verklaren te kennen gheven, bewijsen
Defailleren: in ghebreke vallen
Defaut: ghebreck alsmen in rechte te bescheijden daghe niet en kompt
Defectif: ghebreckelijcken
Defenderen: beschermen
Defereren: hem herghens toe verdraeghen oft ter eedt gheven
Defloreren: schoffieren, verkrachten, maechden off vrauwen van haeren maechdom oft eere ontsetten
Defrauderen: bedrieghen
Delibereren: versinnen, beraden, bedencken
Delinqueren: misdoen
Delict: misdaet
Dependeren: aenkleven
Deponeren: tuijghen, in rechte verclaeren
Deponeren: aflegghinghe hiemant sijn ghelt oft goedt in waeringhe gheven
Depositie: ghetuijghenisse
Depost: afgheleght oft overghegheven ghelt
Designeren: bewijsen
Desadvoijeren: afgaen, van geender weerden houden
Desert: dappellatie die binnen behoorlijcken tijde niet vervolght en is
Desisteren: aflaten, ophouden
Detenteren vel detineren: onthouden
Devolueren: toekomen oft uut de ghewoonte komen
Dictum: vonnisse oft duutsprake vanden selven
Dicteren: voorlesen oft segghen tghene ijemant schrift
Diffameren: schande naersegghen
Differeren: verschillen, uutstellen
Different: gheschil, verschil
Difficulteijt: swaricheijt, verschil
Diffineren: scheijden, eijnden, verklaren
Diffinitif: eijntelijcken
Dilaij: uutstel
Dilaijeren: uutstellen
Dilatoire exceptie: alsmen de saecke soeckt uut te stellen
Diligenteren: beneerstighen
Diminutie: verminderinghe
Diminueren: verminderen, breken, een somme van costen in rechte ghedaen verminderen
D**telijcken: rechtelijcken
D**tie: verstandicheijt
Disponeren: beschicken, stellen
Dispositie: een ordentlijcke beschickinghe oft stellinghe
Dissimulatie: gheveijnstheijt
Distraheren: aftrecken, vervremden
Distribueren: uutdeijlen
Divers: verkeert
Diversiteijt: verkeertheijt
Diverteren: verkeeren, afkeeren
Divortie: scheijdinghe des houwelijcx
Divulgeren: verbreijden onder de ghemeijnte
Doceren: leeren, doen blijcken
Domicilie: woonplaetse
Domicilie kiesen: plaetse kiesen alsmen nerghen huijs en hout
Donatie: gifte, vrij overghevinghe alsmen ijet voor eijghen overgheeft
Donatie causa mortis: gifte diemen int doodbedde doet voor notaris
Doteren: begifte
Dote: houwelijck goet
Dubiteren: dubben, twijffelen
Dupliceren: dobbeleren
Duplicque: schriftuere alsoo gheheeten die den ** op de replicque des aenleggers overgeeft
E
Ederen: uutgheven, openbaeren
Editie: uutghevinghe
Edict: generael ghebodt
Edificie: bauwinghe, timmeringhe
Effaceren: uutdoen
Effectueren: de sake metten wercke volbringhen
Effect: tgene so volbrocht is, uutganck des wercx
Egal: ghelijck
Emanciperen: ijemande sijns selfs voocht maken ghelijck den vader den sone maeckt
Emenderen: beteren
Eminent: verhueren, uutstekende
Emolumenten: profijten baten, vruchten oft ghewin datmen vanden arbeijt oft dienst krijcht
Emptie: koopinghe
Emunit vel exempt: uut ghenomen, vrij
Enfrainte: ghebroken sekerheijt, misbruijck recht
Enorm: leerijck, ongheschickt
Enqueste: ondersoeck, ghetuijghenisse
Equipolleren: ghelijcken
Equiteijt: gherechticheijt
Erigeren: oprechten
Erreur: dolinghe
E**andre: oneere
Estimeren: waerderen oft achten
Evident: oochschijnlijcken, klaerlijcken
Examineren: ondervraeghen, ondersoecken
Excemperen: uutsonderen, tghetuijghenisse, lachteren, uutnemen
Exceptie: uutneminghe
Excluderen: uutsluijten
Exclus: uutghesloten
Excommuniceren: bannen
Excommunicatie: ban
Excusatie: ontschuldinghe
Executeren: ijemanden tot voldoenijn. van tghewijsde bringhen
Exempt: vrij, uutghenomen
Exerceren: bedienen, oeffenen, handelen
Exherederen: onterfven
Exhiberen: overgheven
Existimeren: schatten, achten
Expedient: ghevoechlijc, profijtelijck
Expeditie: het eijnde vanden wercke
Expense: kosten
Expireren: verschijnen, overgaen, eijnden
Exploiteren: ondersoecken, een sake volbringhen
Expurgatie: ontschuldinghe
Expres: uutdruckelijcken, merckelijcken
Extenderen: uuttrecken, int langhe setten
Extraheren: uuttrecken, uutstellen
Extract: tgene uutghetrocken is, copije
Extraordinaris: dat buijten der settijnghe oft ghemeijnen reghel oft recht gheschiet
F
Fabriceren: maken, versieren
Facilijcken: doenlijcken, lichtelijcken
Facteur: die de saecke van eenen anderen drijft
Faculteijt: macht vermoghelijckheijt
Fatalia: dingh daghen
Faveur: gunste
Fauteur: ijonst = dragere, een mede plegere
Feijten: schrifturen inhoudende tgene men wilt betoonen
Fiscael: die sheeren recht oft schat bewaert off voorstaet als advocaet oft procureur fiscael
Fideiusseur: borghe
Fortifieren: sterck maken
Fraude: bedroch
Frauderen: bedrieghen
Frivol: onnut
Fructueux: vruchtbaer
Infructueus: onvruchtbaer
Frustre: te vergheefs
Frusteren: bedrieghen
Fugitif: ghevloden, banqueroute
Fulmineren: blixemen uutsinnich worden
Funderen: beginnen, stellen oft vestighen
Fundament: de vestinghe
Furieux: ontsinnich, rasende, dul
G
Garanderen: ontheffen
Garant: waerschap
Gauderen: verblijden, gecken, oock sijn proces winnen
Genereren: baren, voortsbrenghen, winnen
Generael: gheheel begrijpende, ghemeijn
Glorieren: roemen, verblijden
Gloseren: uutlegghen, verklaren
Glose: uutlegginghe
Graveren: beswaeren
Gratuiteijt: danckbaerheijt
Grosseren: int nette stellen oft schrijven
Gros: tghene uutter kladde int nette ghestelt is
H
Habiteren: woonen
Habil: bequaem
Hachte: ghevanckenisse
Herederen: inde goede van ijemant bij versterffenisse komen
Herediteijt: het versterf
Heresie: ketterije, ongheloove
Horteren: vermanen
Humeur: vochticheijt eens ghesintheijt oft sinnelijckheijt
Hijpotheke: alsulcke verbintenisse, onderpand
J
Jactantie: beroeminghe
Ignominie: versmaetheijt, scheijdijnghe der eeren oft naems
Ignoreren: vande saecke niet weten
Illegitime: onghetraut, bastaert, niet wettich
Imagineren: begrijpen in therte
Imiteren: naervolghen
Impetreren: verwerven, verkrijghen
Impetrant: verwervere
Importum: lastich, quallijck sonder schaemte - ijemanden moeijelijcken vallen
Imploreren: aenroepen
Imposeren vel imponeren: oplegghen te laste legghen
Impost: instellijnghe oft belastijnghe
Impugneren: teghen strijden
Impugnateur: teghenstrijder
Imputeren: wijten
Inadvertentie: onwetentheijt, alsmen geen wete ontfanghen heeft
Incident: onvallinghe, ghelijck als partije een ander materie bijbringht omde sake te bewimpelen
I(ncon)venient: ongheval, misval
I(ncul)peren: beschuldighen
I**reren: vallen, ghelijck alsmen in schade valt
Indemneren: ontheffen
Indispositie: sieckte off ongheschictheijt
Induceren: inleijden, wijsmaken
Inept: onbequaem niet dienende
Infaem: eerloos
Induceren: onderwijsen
Infringeren: breken, te niete doen
Infructeur: inbreker, overtreder
Infractueux: onvruchtbaer
Ingratitude: ondanckbaerheijt
Iniurieren: lasteren, schande oneere naersegghen
Innoveren: vernieuwen, oft weder beginnen
Impertinen: onbehoorlijck, ten proposte niet dienen.
Insereren: in voeghen, tusschen stellen, bij voeghen
Inspiceren: insien
Inspectie oculaire: oochschijnnelijck belichtinghe
Insinueren: de wete doen
Insolidum: gantschelijcken oft besundere
Institueren: instellen, ghelijck alsmen ijemant sijn erfgenaem maeckt
Instantie: beginsel
Instrueren: onderwijsen
Instructie: onderwijsinghe, leeringhe
Instrument: eenighe aelm off eenigh ** van ijemants handel
Intendit: de principael meijninghe vande **
Intentie: meijninghe
Intenteren: versoecken, aenlegghen, beginnen
Interdiceren: verbieden
Interest: schade, achterdeel
Intimeren: de wete doen
= gheintimeerde: de partije die niet gheappelleert en heeft, maer vonnisse ghewonnen heeft
Interineren: van weerden doen houden tgeene men verworven heeft
Interloqueren: een saecke met geenen uutterlijcken vonnisse wijsen, ghelijck ten thoone, oft om meer gheschreven te worden, dwelcke men noempt vonnisse met een steert
Interromperen: ijet bij brijnghen, daermen de saecke mede verachtert oft doet stille staen
Interrupt: de saecke langhe stille ghestaen hebbende valt interrupt
Intervenieren: voor ijemanden de saeke aenveerden ofte hem tproces aendraghen
Invaderen: innevaren: met grammer oft evelen moede
Inventarieren: beschrijven ghelijck alsmen eenighe goeden huijsraet oft ijet anders beschrijft
I**en: aenroepen
I**: inwentelen
I**: inwentelijnghe, bestrickinghe
Itereren vel Editereren: wederomme segghen dat eens verhaelt oft gheseijt is
Iterative: wederomme, op een nieuw
Iudiceren: wijsen, oordeelen
Iudicature: oordeel
Iuratoir: bij eede
Cautie iuratoir: borchtochte bij eede, bevelen tghewijsde te voldoen, ende sijnen persoon ende goeden niet te absenteren oft vervremden
Iurisdictie: gherechticheijt oft macht
Iurist: een die de rechten leert, oft die hem de rechten onderwint oft verstaet
Iustificatie: rechtveerdigh makinghe verontschuldijnghe
Insolvent: ijemant die niet machtich is sijn schult te betaelen
L
Laps: loop, lancheijt van tijde
Latiteren: schuylen, ergens secretelijck sijn
Lauderen: van weerden houden
Legaet: een uutghesonden bode met bevel oft tgene bij stestamente oft uutterste wille wech ofte terve ghegheven wort
Legataris: dien wat bij stestamente ghegheven wort oft dien de ghemaeckte goederen bevolen sijn
Legateren: ijet bij testamente wech gheven
Legateur: die het wech ghemaeckt uut rechtet
Lederen: schaden, quetsen
Lese maiestatis: misdaet teghen den maiesteijt
Lesie: quetsinghe, misdaet
Legitime portie: wettich ghedeelte, kints ghedeelte
Legitimatie: wettich makijnghe
Legitimeren: wettich maken
Libel: gheschrifte, schriftuere: ghelijck een libel van aensprake, antw.e, replicque, duplicq, triplicque, quadruplique, advertissement, feijten, kosten, diminutien, brieven oft andere
Liberaal: milde
Libereren: verlossen
Libre: los, vrij
Licentiaet: meester in de rechten, oft toeghelaten in de rechten
Limiten: palen, erfpalen
Linie: recht-snoer, oft in rechter sijden bestaninghe
Liquideren: ten eijnde bringhen, een rekenijn. effen maken, sluijten
Litigeren: twist hebben, oft proces hebben
Litiscontestatie: beroepinghe die partije van beijde de sijden in rechte doen
Litiscontesteren: van beijde sijden in rechte beroepen
Litispendentie: den twist oft het vervolch van den processe
Locatie: hueringhe, verhuerijnghe
Locupleteren: machtich maken, rijck maken, verhooghen, vermeerderen
M
Machineren: quaet teghen eenen anderen versieren
Mainteneren: houden bevestighen
Mandaet: bevel, daghement
Manifesteren: openbaeren
Manifest: openbaer
Manuael: hantboeck, register
Matteren: moede maken
Maxime: het grootste oft principaelste point
Memorie: ghedenckenisse
Mentie maken: vermelden
Mise de fait: hantstellinghe van rechte
Miserabel: katijvich, innerlijcken
Miserie: katijvicheijt
Missive: eenen sentbrief
Mixte: ghemenghde sake
Meublen: beroerlijcke goeden
Molesteren: quellen
Monopolie: oploop oft muijterije, die de cooplieden doen van hunne goederen voor eenen ghesetten prijs ende niet min dan sij onder malcanderen ghesloten hebben te vercoopen
Motijf van rechte: beweginghe van rechte, oft sekere schrifture die de partijen naer ‘t sluijten vanden processe den rechter secretelijck overgheven tot instructie van den selven, dwelcke oock recueil gheheeten wort
Mulcteren: straffen
Municiperen: ijemant sijn stadt recht geven oft gunnen
Municipalen: stadt rechten, oft borghelijcke rechten
Munieren: bewaren, beschermen
Munimenten: bescheijt dienende tot beschermijnghe van ijemants recht
Mutilatie: verminckijnghe van eenighe leden
N
Namptiseren: oplegghen, verschieten, ghelijckmen bij provisie ende onder cautie eenighe somme ofte goeden op ofte voorts brenght
Nampt vel namptissement: tgene alsoo opghebrocht wort
Narratif: t’gene men in eenighe requeste oft schrifture voor de conclusie stelt tot fondament der selver
Narreren: verclaren, bijbringhen
Necessiteren: noodighen
Necessiteijt: noot, ghebreck
Negatif: t’gene men voor leugenachtich ontkennen mach
Negotieren: beschicken
Negligent: onachsaem
Negligentie: onachsaemheijt
Neutre: noch d’een noch d’andere
Nihilipenderen: versmaden, voor niet achten
Notaris: een schrijver die der menschen handelijnghen ter toekomender ghedenckenisse schrijft
Noteren: opschrijven ter bewaerenisse
Notitie: opschrijvinghe, kennisse
Notule: t’gheschrifte bij den notaris gheschreven
Nul: van geender weerden, niet
Nulliteijt: tgeene niet met allen te bedieden en heeft
O
Obedieren: onderdaenigh sijn
Obligeren: verbinden
Obligatie: verbintenisse spruijtende uut eenighen contracte oft schult
Obscur: doncker
Observeren: onderhouden
Obsteren: letten, verhinderen
Obtineren: verwerven, vercrijghen
Obvenieren: teghemoete kommen, verhoeden
Obiicieren: letten, voorwerpen om te beleijden
Occasioneren: veroorsaecken
Occuperen: innemen int ghedachte komen, bekommeren
Octroijeren: toelaten, gunnen, consenteren
Octroij: toelatijnghe
Omitteren: achterlaeten, versuijmen
Omissie: vergetelijckheijt, versuijmtheijt
Opereren: wercken
Operatie: kracht, werckinghe
Opineren: meijnen
Opinie: tgoetduncken oft meijninghe
Opponeren: verweiren, teghenstellen
Oppositie: verweiringhe, teghenstellinghe
Oppresseren: verdrucken
Oppressie: verdruckijnghe
Optie: keuse, kiesinghe
Ordineren: beschicken, bestellen
Ordinaris rechter: oft competenten rechter is den rechter daermen voor behoort te rechte betrocken te worden
Ostenteren: thoonen
P
Pandecte: een boeck dat alderleij dinghen int ghemeijn begrijp oft innehout, ghelijck te boeck, digestorum
Partiasiteijt: partijschap, twisticheijt
Patent: opentlijck, blijckelijck
Patenten: opene brieven
Patricida vel paricida: die de vader, moeder, broeder, suster oft ijemant van sijne bloede gedoodet heeft
Participeren: mede deijlen
Particulier: besundere
Pensionaris: een huerder oft pachtere
Peremptoir: dat de sake heel te niete doet
Perfect: volcommen
Permitteren: toelaten
Permuteren: verhandelen, wisselen
Perpetreren: quaet doen
Perpetuelijcken: eeuwichlijcken
Preserveren: volstandich blijven
Personeel: dat elcken mensche eijghentlijck aengaet
Pertinent: behoorlijcken
Perturberen: verstooren
Petitoire actie: een saecke die inden gront gheintenteert wort
Pervers: verkeert
Policie: tghemeijn stadtrecht oft insettinghe van leven
Pondereren: weghen, overweghen, bekennen, schatten
Portie: deel
Portie legitime: wettich kintsghedeelte
Poseren: sijn sake bij artickelen stellen
Positif: settelijck, tgeene men behoort te setten oft weirdich is ghestelt te worden
Possederen: besitten
Post humus val postmis: een kint dat naer de doodt van sijnen vader geboren is
Postponeren: naer stellen, achterstellen
Postuleren: begeiren, in rechte heijsschen, vervolghen
Postremo: ten lesten
Practiseren: in rechte handelen
Practisiens: die in rechte handelen, als advocaeten, procureurs ende dierghelijcke
Practijcke: handelinghe oft offenijnghe in rechte
Precaveren: verhoeden
Precedent: voorgaende
Precideren: beletten
Precisie: beletsel
Precisen tijdt: gesetten tijdt
Precieus: kostelijck
Predecesseur: voorsate
Preeminentie: hoocheijt, te boven gaeninghe
Preferentie: voordeel
Prefigeren: bescheijden dachstellen
Prefix: dat bescheijden is
Preiudicieren: beschadighen, achterdeel doen
Preiudicie: schade, achterdeel, letsel
Premature: te vroegh, buijten tijdts
Premediteren: voor bedencken
Premitteren: voorseijnden
Prerogatif: voordeel
Prescriberen: voorschrijven als eenigh goet is ghebrocht, ende deuchdelijck beseten thien, twintich, dertich, oft veertich jaren, sonder ijemants wedersegghen, soo ist gheprescribeert, ende niemant en mach daer eenigh recht toe pretenderen
Presumeren: vermoeden, voor hem nemen
Pretenderen: vermeten ghesach eijsschen
Preterieren: voorbij gaen, vergeten, niet versien bij testament
Pretect: decksel, schijnsel
Prevenieren: verrasschen
Priseren: de weerde segghen
Priveren: benemen
Priveen raet: secreten raet
Privilegie: een besonder behulpelijck recht
Proberen: bethoonen, bewijsen
Procederen: afkomen, in rechte handelen, oft voortvaeren
Proclameren: uutroepen, voortroepen
Procreeren: voortsbrenghen, baren
Procureren: besorghen, vervolghen, beneerstighen
Procureur: die de sake besorcht
Procuratie: besorginghe oft het bescheijt dat den notaris daertoe maeckt
Procuratio ad lites: besorghinghe om t’proces te vervolghen
Procuratio ad negatia: om eenighe sake te beschicken
Prodigeren: deur bringhen verdoen, verquisten
Prodigue: quistgoet
Produceren: bij brenghen, ghetuijghen leijden
Proiuberen: verbieden
Proiicieren: voorwerpen
Prolix: lanck, breedt, wijdt
Prolongeren: verlengen
Promoveren: voorderen, ijemant voor eenen anderen ergens toehelpen
Prononceren: uutspreken, vonnis gheven
Prophaneren: eenighe eijghen oft ghewijde plaetse bederven, oft schandaliseren
Proportioneren: verghelijcken
Proposeren: voornemen, voorstellen oft laten duncken
Prorogeren: uutstellen, verlenghen
Prorogatie: verlenginge
Proprietaris: eijghenaer, heere vande goeden
Proprieteijt: eijghenschap
Proscriberen: verseijnden, verachten oft openbaerlijcken verdoemen
Prosequeren: geduerlijcken vervolghen
Protegeren: beschermen, behoeden
Protectie: bescherminghe
Protecteur: beschermer
Protesteren: openbaerlijcken betuijghen, beroepen voor recht
Prothocol: beworpboeck daermen ijet van te vooren inneschrijft, oft opteeckent
Provoceren: uut eijsschen, verwecken, appelleren
Publiceren: openbaren vercondighen
Public: openbaer
Purgeren: ontschuldighen reijnighen
Purge: reijnmakinghe
Purificeren vel purificatie: reijnmakinghe
Q
Qualificeren: hoedanich maken
Qualificatie: hoedanich makinghe
Qualiteijt: hoedanicheijt, ghedaente anganck oft gheleghentheijt
Quanti minoris: een actie die gheintenteert wort als ijet te veele ghecocht is, oft boven de weerde bij de welcke men versocht restitutie vanden penninghe daer voorghegeven met presentatie van tgecochte goet te restitueren
Quantiplurimi: daer bij versoeckt men soo vele meer als bevonden sal worden hem toe te komen
Quantiteijt: grootheijt
Quarta falcidia: is het vierde deel vander heelder massen vander erffenisse
Querelle: clachte
Questie: een vraghe, gheschil
Quiteren: quijtschelden
Quitantie: quijtscheldijnghe
Quohier vel cohier: eenich rekenboeck
Quote: deel
Quoteren: teeckenen, tellen, deelen
Quotiseren: schatten
Quotisatie: schattinghe
R
Raderen: uutschrabben
Rasure: uutschrabbinghe
Rapelleren: wederroepen
Rapporteren: overbrenghen
Rapport: het goetduncken van seghslieden oft fijne mannen
Rapt: roof
Rate: vast, seker, stijf, ghelegentheijt
Ratificeren: van weerden houden
Ravestissement: onderlinghe makinghe tusschen man ende wijf
Recapituleren: int corte vertellen oft vertrecken tgene eens ghedaen is
Recapitulatie: vertellijnghe in ‘t corte van het voorgaende
Receptie: eenen ontfanck
Reciproc: weder keerende van daert henen comen is
Recreantie: tgebruijck vande sake oft goeden daer questie om is soo langhe tproces diert
Reconcilieren: versoenene
Reconveniren perph.: heijschen wederom als verw.re
Reconventie: wederom heijsschinghe
Recueil: (siet) motif van rechte fol
Redigeren: stellen wederom drijven
Redimeren: lossen, verlossen
Refereren: hem ghedraghen, verhalen
Relatie: verhalinghe
Reformeren: tsijnder ghedaente wederbrenghen
Refuseren: weijgheren
Refuteren: verwerpen
Register: een boeck daer diversche saken oft handelinghen inne staen
Reintegreren: vernieuwen wederom in state stellen
Reitereren: verhalen herdoen
Relaxeren: ontslaen
Releveren: ontheffen
Relevement: vel relievement: ontheffen
Remedie: behulp
remitteren: quijtschelden
Remis: quijtscheldinghe
Renumereren: vergelden
Renoveren vel renouvelleren: vernieuwen
Renonceren: vertijden
Renvoijeren: wederseijnden
Repareren: vermaken, schade oprechen
Representeren: verthoonen, bewijsen
Reprocheren: ghetuijchnisse wederlegghen
Repromitteren: wederbeloven
Repromissie: wederbelofte
Republicque: tghemeijn wesen, tghemeijn profijt oft welvaert vande stadt
Repudieren: verstooten, verlaten, affscheijden
Reputeren: achten
Reputatie: achtinghe
Requireren: begeiren
Requisitie: begheirte
Rescriberen: wederschrijven, antwoorden
Rescinderen: breken, te niete doen
Reserveren: behouden, uuthouden, metten anderen bewaren, achterwaers houden
Reservatie: uuthoudinghe, bewaeringhe
Resideren: woonen
Residentie: wooninghe
Resigneren: verlaten, wedergheven, opdraghen
Resignatie: wederghevinghe, opdraghinghe
Resolveren: ontbinden, sluijten, oft raden
Respiceren: aensien
Respect: het aensien oft oorsaecke
Resisteren: wederspannigh sijn
Resistentie: wederspannicheijt
Respinderen: antworden
Restablisseren: wederom in state stellen
Restablissement: wederomme in state stellijnghe
Reste: overblijfsel
Restitueren: wedergheven
Restitutie: wederghevinghe
Restringeren: vervangen
Restricte: vervanckenisse
Resumeren: herneminghe, verhalinghe
Retarderen: verhinderen, beletten, vezrachteren
Retardatie: verachtinghe, beletsel
Retineren: verhouden, onthouden
Retracteren: vermeken, wederom veranderen oft wederroepen
Retroacte: tghene naer ghedaen oft lest ghedaen is
Reveleren: ontdecken
Revideren: hersien
Revisie: hersieninghe
Revoceren: wederrroepen
Revocatie: wederrroepinghe
Reus: een die voor recht aenghesprocken wort schultbaer oft verweirdere
Rea: verweirdesse
Reiiceren: verworpen
Rigueur: wreetheijt, strafheijt
Rigoreux: wreet, straf
Ruineren: bederven
Ruine: bederffenisse
S
Sacrilegie: kerckroof, kerckdiefte
Saisine: besit
Salarie: dieftghelt
Salueren: behouden, beschermen
Salvatie: bescherminghe
Saluijt: salicheijt
Satisfactie: voldoeninghe
Sauvegarde: t’behoet vanden prince
Schandaliseren: beschamen, verergheren
Schandale vel schandalisatie: verergheringhe
Secluderen: buijten sluijten
Seclusie: buijten sluijtinghe
Secreet: afghescheijden, heijmelijck, verholen
Secretaris: die heijmelijcke dinghen schrijft
Seditie: oploop, beroerte onder de gemeijnte teghen d’overheijt
Senatusconsultus: den oversten raedt
Sensible: sinlijcken, ghevoelijcken, verstandelijcken
Sequestre: afgescheijden, voor d’een en d’ander
Sententie: tghewijsde, tvonnisse
Significeren: beteeckenen, laten weten
Sicaria lex: een wet op de doodtslagers, moorders ende fenijn ghevers
Simuleren: veijsen, versieren oft anders stellen dan t’is
Simulatie: wijsijnghe
Singulier: besondere, uutnementlijcke
Sinisterlijck: looflijck, bedriechlijcken
Sisteren: stellen,in rechte ijemant vertoonen oft doen komen
Sirueren: stellen
Situatie: ghesteltenisse, stant, gheleghentheijt oft eijghenschap eender plaetsen
Solemniseren: vieren, feeste houden
Solemniteijt: de maniere diemen ergens inne onderhout
Soliciteren: vervolghen, neerstelijck drijven
Solicitatie: vervolghinghe
Solvent: ijemant die machtis is sijn schult te betaelen
Solveren: ontbinden, verlossen, betalen, paeijen
Sommeren: manen
Sommatie: maninghe
Sommarie: vel sommierlijck: kortelijck ofte met korte worden
Sorteren: de nature oft eijsch vander substantie volghen
Souverain: overste, opperste
Specialijcken: besondere
Specificeren: int besondere verclaeren
Stateren: laten staen, ghelijck den rechter de costen stateert totter decisien vander materie principael
Statueren: vast setten, oft voornemen, insetten, instellen
Statuijten: insettinghen
Stileren: de practijcke in geven oft doen verstaen
Stijl: t’ghebruijck oft maniere van doen van de practisijns
Stipuleren: vestighen, vraghen oft woorden ghevraecht met begheerte
Strictelijcken: eijghentlijcken, scherpelijcken, nauwelijcken
Subalterne rechters: sijn rechters die ten diffinitive onder de magistraet staen als die vanden laken halle, weeskamere, vanden peijse en andere
Subiect: onderworpen
Cas subiect: de materie principael
Submitteren: hem ondersetten, oft ten ghesegghe van andere ghedraghen
Suborneren: heijmelijcke ontreckinghe oft stelinghe
Subreptif vel obreptif: valschelijck met bedroch oft op onwaerachtich te kennen gheven ijet vercrijghen
Subsidie: hulpe, onderstant
Subsisteren: onderstaen, tsaemen staen
Substantie: een dinck dat door hem selven is, oft daermen iet uut maeckt, have, rijckdom
Sustineren: ijemant in sijn stede stellen
Subsituijt: die in iemants stede ghestelt is
Subverteren: ome keeren
Subversie: verstooringhe
Subvenieren: te hulpe komen
Subvirguleren: onderreeden oft strepen
Succederen: inde goeden van ijemant bij versterffenisse komen
Successie: versterffenisse, verval
Succumberen: ondervallen, overwonnen worden, tonderblijven
Suffisant: vel suffisient: machtich oft seker ghenoech
Supersederen: ophouden, laten staen
Suppleren: volmaken, tghebreck voldoen
Suppliceren: ootmoedelijcken bidden
Supplicatie: ootmoedelijcke biddinghe, requeste
Suppliant: ootmoedich bidder
Supposeren: ondersetten
Ghesupposeerde: die inden schijn van eenen anderen bedrieghelijcken komt
Suranneren: overjaren
Surrogeren val subrogeren: voorderen oft ijemanden helpen in eens anders plaetse
Suspenderen: ophanghen, twijffelachtich houden
Suspens: twijffelachtich
Suspiceren: vermoeijen
Sustineren: verdraghen, vervolghen, vasthouden, oft bij blijven
Sijndicalen: feijntschepenen, ghemachtichde boden ofte dierghelijcke
T
Tabellioenen: notarissen oft schrijvers vanden coninck
Tacite: swijghende al heijmelijcken
Taxeren: schatten
Tergiverseren: bedrieghen, teghenstaen
Tergiversatie: bedroch, achterdeel
Temeriteijt: dwaerheijt, vermetelheijt
Teneur: d’inhout oft begrijp vande redene
Termineren: eijnden, beslichten, utten
Termijn: tijt mijte, eijnde oft pale
Testament: uuttersten wille
Testateur: een man die testament maeckt
Testatrice: een vrauwe die testament maeckt
Testeren: testament maken, betuijghen oft roepen tot ghetuijghe
Text: den sin
Titule: onder oft opschrift, brief oft eenich bescheet
Tolereren: verdraghen
Tractaet: begrijp van eenighen handel oft gheschrift
Tracteren: handele oft onderwinden
Traduceren: vel translateren: oversetten van deen tale in dandere setten
Traductie: translatie: oversettinghe
Tranquilliteijt: gherustheijt, stilheijt, vrede
Transactie: oversettinghe, vereenighe oft overkominghe
Transfereren; overdraeghen, oversetten
Transigeren: vereenighen, overkomen
Transporteren: opdraeghen, overgheven
Tribuijt: gift, schattinghe, bede, schat, lot, oft watmen der overheijt gheven moet
Triompheren: verblijden, het proces winnen
Tuteurs: beschermers, voochden oft regeerders van weesen goeden
Tuteren: beschermen
V
Vacatie: ophoudinghe, vrijheijt, loon vanden wercke
Vaceren: hem erghens mede moijen oft bekomeren
Vacant: ijdel, onbedient
Vacantie: ophoudinghe oft schorssinghe van eenighe saken oft recht
Vacueren: ijdel maken
Vagabond: ledichganger, lantlooper
Valetudinair: sieck achtich, die altijdt sieck is
Valeur, valuatie: weerde
Vehement: krachtich
Vendiceren: hem toeschrijven oft eijghenen
Venditie: verkoopinghe
Ventileren: overloopen, ramen, onbeslicht hanghen
Verbaliseren: een sake mondelinghe aengheven
Verbael: de redene die mondelinghe geschiet
Verbalijck: mondelinghe
Verificeren: waerachtich maken oft bewarighen
Verificatie: waerachtichmakinghe, blijckinghe
Verisimile: de waerheijt ghelijck, gheloofweerdich
Verseren: hem neirstichlijck in eenighe saken oeffenen
Vexeren: quellen, moeijen, lastich vallen
Vigeren: groeijen, leven, sterck ende crachtich wesen
Vigueur: kracht
Vil: slecht ongeacht
Vilipenderen: verachten, versmaden
Violeren: vercrachten, scheijnden
Violatie: vercrachtinghe, scheijndinghe
Violentie: ghewelt
Visiteren: oversien, besoecken, besichtighen
Visitatie, visie: oversienijn., besoeckijn., besichtinghe
Vitupereren: lasteren, lachteren
Unanim: van eenen wille, eendrachtich
Unic: eenigh, singulier
Universael: alghemeijn off overal
Vocatie: roep
Voceren: roepen
Vocifereren: luijde roepen, krijsschen
Volumen: een deel eens gantschen boeck
Volontaire: ghewillich
Urgeren: dringhen, dwinghen, aendrijven, haesten
Usiteren: ghebruijcken dickmael oft alleneen
Usufruct: profijt oft nuttinghe van eenigh goet
Usufructuaire: een die tprofijt oft nuttijnghe van een vremt goet sonder sijne schade besidt oft ghebruijckere
Usure: woecker, profijt, ghewin
Usurperen: ghebruijcken ende onthouden t'gene niet toe en behoort
Uteren: ghebruijcken, besighen oft ghemeijnschap
Util: profijtelijck
Utiliteijt: profijt
Vulgair: ghemeijn, slecht oft cleen gheacht
W
Waerderen: kennisse vande wercke gheven, besicht.
Waerschap: waernisse garrand belofte van ontheffin.
Z
Zele: ijver ialoursheijt afgunste oft haet